De Dood van Mazarin (2)


     Toen de koning wakker werd, riep hij zijn voedster die in zijn kamer sliep en trok, uit zijn bed stappend, vragend zijn wenkbrauwen op om te weten of de kardinaal dood was. Dat deed hij omdat hij bang was de koningin te wekken of van haar stuk te brengen door het akelige beeld van de dood op te roepen, die op zichzelf altijd afschuwelijk is. Toen hij wist dat het zo was, kleedde hij zich en liet de ministers, de kanselier, Le Tellier, huismeester Fouquet en De Lyonne komen en gaf ze opdracht niets uit te voeren zonder er met hem over te praten. Hij kondigde aan dat hij beslist niet wilde dat gunstenvragers zich tot anderen dan tot hem zouden wenden. Vervolgens zocht hij de koningin-moeder op. Ze dineerden en vertrokken zo vroeg ze konden uit Vincennes naar Parijs*. De koningin werd in een stoel gedragen. De markies d'Hautefort, haar eerste stalmeester, en Nogent, oud, maar gezond, vergezelden haar te voet.

     De koning was aangedaan door de dood van zijn minister en had lang gehuild. Zijn moeder de koningin, sterker dan hij en afkeriger van de mensheid dankzij haar kennis van de tekortkomingen ervan, had minder verdriet. Het speet haar van de kardinaal, en er waren momenten waarin de langdurige omgang en de goede eigenschappen die zij in deze minister had gewaardeerd, tezamen met hij wat voor haar gedaan had door zijn nicht weg te jagen*, haar zijn dood deden voelen, maar op een rustiger manier. En de herinnering aan zijn kleinere en grotere blijken van ondank leverden voldoende tegenwicht tegen dit verdriet. Bij hun aankomst ontvluchtten hunne majesteiten de drukte die ze aantroffen in het Louvre en hun wachtkamers en de koning en de koningin-moeder sloten zich op in het vertrek van de koningin. Ze had de reis goed doorstaan en haar toestand wekte bij de koning en de koningin-moeder en heel Frankrijk de vreugdevolle hoop haar binnenkort de moeder van een kroonprins te zien. De jonge vorstin was in het geheel niet aangedaan door de dood van de kardinaal, maar ze vond het zo erg dat de koning zich opnieuw vermaakte met de gravin van Soissons, hoe lauwtjes ook, dat als ze bedroefd was, dat alleen maar was omdat - zoals de filosofen zeggen - de minnaar verandert in het beminde object en ziende hoe droevig de koning was, zij onmogelijk vrolijk kon zijn.

     Eindelijk konden de drie koninklijke personen in elkaars nabijheid, uit de buurt van de sterfkamer, enige verademing en rust krijgen. Het plezier van de vrijheid die hen met al zijn alledaagse genoegens te wachten stond, deze prettige en prikkelende gedachte, troostte hen in hun verdriet. De koningin-moeder was de eerste die aan hen die telkens opnieuw het gesprek op de dood van de kardinaal brachten, zei erover op te houden, dat ze bang was dat de koning er ziek van werd en dat het beter was als hij zich met iets beters dan nutteloze woorden bezighield.

     De koning had vanaf het moment dat hij zijn minister naar diens einde zag neigen, te kennen gegeven dat hij in de toekomst zijn rijk zelf wilde besturen. Hij zei dat hij geen goed woord had voor het leven van koningen die niets uitvoeren en zich aan het lijntje laten houden. Hij voegde er zelf aan toe dat hij best zag dat dit verwijt ook hem gemaakt kon worden, maar hij schreef zijn voorgaand gedrag toe het ontzag dat hij voor de kardinaal had vanwege diens competentie, alsmede aan de onderschikking en afhankelijkheid waaraan zijn kindertijd hem had gewend. De koningin-moeder, voor wie het juk dat zij zich had opgelegd zwaar was geweest, wilde zich niet langer aan een andere macht onderwerpen dan die van haar zoon de koning. Ze hoopte dan ook dat hij zelf voor zichzelf zou werken. Zijzelf had geen enkele ambitie, maar ze was moeder genoeg om hem te willen helpen waar ze maar kon. Alle fatsoenlijke personen waren van hetzelfde gevoelen. De minister had op zijn doodsbed, hetzij omdat hij zijn plicht wou doen door de koning goede raad te geven, hetzij omdat hij geen opvolger in diens luisterrijke gunst wilde, hem als eerste leefregel voorgehouden zijn zaken zelf te doen en geen eerste minister meer te verheffen tot die hoogste graad waartoe hij zelf was opgeklommen. Hij bekende dat vanwege de dingen die hij zelf onrechtmatig had kunnen doen, hij zich ervan bewust was hoe gevaarlijk het voor een koning was om iemand hiertoe in staat te stellen. Hij liet hem belangrijke raadgevingen en beginselen na die de koning zelf opschreef om ze te onthouden als leidraad voor zijn handelen.

     De ochtend van diezelfde dag, nadat hij de dood van de kardinaal had vernomen, had de koning zich twee uur opgesloten om alleen aan de ordening van zijn leven en zijn zaken te werken. Daarna wilde hij zijn besluiten meedelen aan de hoge adel van het koninkrijk. Zodra hij in Parijs was gearriveerd gaf hij order dat ze zich allen de volgende dag om vier uur in het Louvre, bij de koningin-moeder, zouden treffen. Die dag nam deze vorstin haar godsdienstverplichtingen waar in de Val-de-Grâce en toen ze 's avonds terugkwam, waren de officieren van de kroon en de ministers bijeengekomen en zei de koning ze dat God hem een minister had afgenomen die tijdens zijn jeugd zijn zaken had behartigd, dat hij zich daar zo wel bij had bevonden, dat hij had gehoopt hem langer voor zich te behouden, maar nu het Gods wil was geweest hem weg te nemen, hij van nu af aan zelf zijn rijk wou besturen; dat hij hoopte dat God hem zou vergunnen zich daar goed van te kwijten en de goede bedoelingen die hij had om rechtvaardig en redelijk te werk te gaan zou zegenen; dat hij daarom geen eerste minister meer wou; dat hij gebruik zou maken van ambtsdragers om onder hem hun functie uit te oefenen en dat als hij in voorkomend geval hun raad nodig had, hij hun deze zou vragen. Vervolgens stuurde hij ze weg. Deze beslissing werd genomen om geheimhouding van zaken strenger te handhaven en de Prins en de hoge adel van het rijk van deze zaken uit te sluiten, want ze zouden allen, als ze er ook maar het geringste deel in kregen, een groter willen pakken en het koninklijke gezag zoveel als ze konden verzwakken.

     De koning deelde zijn uren in en gaf order dat iedereen die gunsten aan hem wou vragen een verzoekschrift moest indienen en dat hij er elke zaterdag op zou antwoorden. Na deze ceremonie waren de koning en de koningin-moeder bij de koningin langs gegaan. Je kon al tekenen van tevredenheid in hun gezichten ontdekken en het was niet moeilijk te voorspellen dat weldra de fouten van de overledene hun groter zouden lijken dan ooit tevoren. Want hij had zich niet tevreden gesteld soevereine macht uit te oefenen over het hele koninkrijk: hij oefende het ook uit over de soevereinen zelf die hem die macht hadden gegeven, waarbij hij bij verschillende gelegenheden geen enkele scrupule tegenover de koning had, niet meer dan voor de koningin, en hem geen vrijheid liet over enige zaak van belang te beschikken. Hij was zo jaloers op dit gezag waar hij geen recht op had, dat hij ieders functies wilde hebben, zo hebzuchtig dat hij overal mee wilde verdienen, zo wantrouwig dat hij gemakkelijk opvloog, zo voor het merendeel van de tijd in grimmig gepeins verzonken, dat je nauwelijks iets tegen hem durfde te zeggen. Hij deed alsof hij in een slecht humeur was om te voorkomen dat de mensen die in de menigte wachtten tot hij langs zou komen, de gelegenheid zouden aangrijpen om hem aan te spreken. Om die reden was het onmogelijk - van de koning tot de geringste onderdaan aan toe, afgezien van een paar mensen die grote verplichtingen aan hem hadden - dat je makkelijk je boodschap kwijt kon.

     Die avond liet de koning Monsieur de Prins* in het vertrek van de koningin toe en las hem en ons een paar raadgevingen voor die de minister, die heel kien was en veel ervaring had, hem in geschreven vorm had nagelaten en die inderdaad heel goed waren. Als je ziet dat maarschalk de Villeroy van de raad werd uitgesloten, omdat hij nooit meer echt in de gunst van de kardinaal was teruggekeerd na een beschuldiging van ondank aan diens adres, kan je je voorstellen dat het een van de dingen was die hij de koning had ingeblazen.

     De tiende, dezelfde dag dat de koning zijn verklaring aflegde tegenover de hoge adel van het rijk, bleef het lichaam van de kardinaal, dat de vorige dag voor het volk was opgebaard, dat ook die hele dag. Er was heel veel volk dat hem kwam zien. Ze vonden, toen hij werd geopend, een steentje in zijn hart dat, zoals sommigen zeiden, heel sterk overeenkwam met de hardheid die hij van nature had.

     De elfde werd hij naar de kerk van Vincennes gebracht, waar zijn mis zonder veel ceremonieel werd gevierd.

     Hier zijn een paar versjes die na zijn dood over hem werden gemaakt:


Eindelijk is de kardinaal aan zijn eind.
Fransen, wat zeggen we van de grote man?
Hij maakte vrede, hij is dood:
Hij kon niets meer voor ons doen.

Anderen:

Hier ligt de tweede Eminentie:
God beware ons voor een derde!

Anderen:

Mazarin kwam uit Mazarus
Arm als Lazarus
Uit harde nood:
Maar dankzij Anna van Oostenrijk,
Is Lazarus opgestaan
En gestorven als de slechte rijkaard.

Anderen:

Ik Kon Jules niet lijden, ziek of gezond:
Ontving menige snauw
In zijn zaal en op de trap;
Maar nu zag ik hem op zijn paradebed,
En zo zag ik hem graag.

     De twaalfde maart hield de koning - om al die hoge adel die eerder de raad vormde tevreden te stellen, zowel als hen die als gevolg van de afgelopen onlusten tot die waardigheid waren verheven - een raadsvergadering over een of andere buitenlandse oorlog met Monsieur de Prins en alle prinsen en hoge edelen die gewend waren aan te zitten, zoals de kardinaal die graag hield. Maar na een paar jaar had hij ze allemaal afgeschaft. De koning, de koninginnen en het hele hof droegen rouw om de kardinaal. Dat was nog nooit gebeurd; want koningen dragen die alleen voor heersers of prinsen die de eer hebben familie van ze te zijn. En de kardinaal was het een noch het ander.

     De eerste dagen werden geheel in beslag genomen door discussies over de geweldige rijkdom die de kardinaal achterliet. Le Tellier, zijn vriend, vertelde ons, aan de hertogin van Navailles en mij, dat hij drie miljoen vijfhonderdduizend pond had ontvangen uit ambten voor het huis van de koningin, van de koning gekregen en door de minister verkocht, tot dat van wasvrouw toe. Deze som, die deel uitmaakte van zijn schatten, was bepaald geen spaargeld. De kardinaal zei ook, om zijn rijkdom te verontschuldigen en ons te laten zien dat die helemaal niet ten koste van het volk was verkregen, dat hij in zijn bestuurswerkzaamheden grote hervormingen uitvoerde en zaken deed, in het bijzonder in Brouage; dat hij inkomsten genoot uit verscheidene fondsen die bestemd waren om ambassadeurs te betalen, de artillerie, de admiraliteit enzovoort; dat hij voldoening ervan op zich nam, maar het niet haalde, zodat je kunt aannemen dat hij een hoop pakte zonder dat ze hem konden overtuigen niets uit de spaarkas te nemen. Ik heb in dezelfde tijd dezelfde Le Tellier over de kardinaal horen zeggen dat de minister twee overheersende hartstochten had, verlangen naar roem en verlangen naar welstand; dat toen hij stierf zijn grote rijkdom, waar hij zich teveel mee bezig leek te houden, de verdienste van zijn goede daden zeer verminderd had. En zo had hij aan een van zijn verlangens niet voldaan door teveel aan de andere te geven.

     Ik heb Le Tellier ook horen zeggen dat twee dagen voor de kardinaal stierf, hij zijn testament in het net en in mooie bewoordingen uit wou schrijven. Terwijl hij daarmee bezig was, drong Le Tellier aan om ermee op te houden, bang dat hij zich teveel zou vermoeien. De kardinaal raakte geërgerd en zei hem, half boos, maar lachend: 'Laat me toch, die dwang van u is erger dan de dood' en dat hij op dat moment over de dood sprak alsof hij ermee spotte. Maar dat hij op een ander moment op heel ernstige toon had gezegd: 'Het is een rare overgang, meneer, ik ben mens en zondaar en ik moet Gods oordeel vrezen. Uiteindelijk moeten we hopen op Zijn medelijden.'

     Zijn nichtjes, aan wie hij grote rijkdommen had nagelaten, rouwden nauwelijks om hem. Een Italiaan, hun huisknecht, verweet ze hun ondankbaarheid met de woorden: 'Jongedames, u neemt wraak voor alle Fransen voor de hardheid waarmee uw oom de kardinaal hen bejegend heeft, zo hard als u voor hem bent.' Daar had hij gelijk in: want kardinaal Mazarin had, in het algemeen gesproken, diepe minachting voor de natie.